04 maart 2010, Pharmaceutisch Weekblad, Jaargang 145 Nr 9
Astma/COPD is het meest bij patiënten vastgelegde ziektebeeld in de apotheekinformatiesystemen, namelijk bij 12,6% van de patiënten. De systematiek van ziektebeeldtoekenning aan patiënten wordt ook voor verkeersveiligheidsdoeleinden ingezet.
Sinds de introductie van het nieuwe formaat van het SFK–bestand in juli 2008 is het mogelijk dat apothekers patiëntgegevens aan de SFK aanleveren die verrijkt zijn met de bij de patiënt vastgelegde ziektebeelden of contraindicaties. In de apotheekinformatiesystemen (AIS’en) worden ziektebeelden als contra–indicaties bij patiënten vastgelegd ten behoeve van de medicatiebewaking. Als aan die patiënten een geneesmiddel wordt voorgeschreven dat bij het vastgelegde ziektebeeld niet of slechts met de nodige voorzorgsmaatregelen mag worden gebruikt, genereert het AIS een waarschuwingssignaal. De codelijst van de ziektebeelden wordt beheerd door het GIC (Geneesmiddel Informatie Centrum) van de KNMP en uitgeleverd via de G–Standaard.
Apothekers kunnen op verschillende manieren geïnformeerd worden over de ziektebeelden van een patiënt. Het heeft de voorkeur als de apotheker zich baseert op informatie van de arts. Een andere mogelijkheid is dat de apotheker zich baseert op het geneesmiddelengebruik. Dit wordt afgeleide contra–indicatie genoemd. AIS’en ondersteunen apothekers hier doorgaans bij. Tot slot kan de apotheek afgaan op informatie die afkomstig is van de patiënt zelf.
Inmiddels ontvangt de SFK van een deel van de
apotheken patiëntgegevens met ziektebeeldcodes.
Het ziektebeeld Astma en COPD is het
meest vastgelegd, namelijk bij 12,6% van de
patiënten. COPD is de afkorting van het
Engelstalige Chronic Obstructive Pulmonary
Diseases. Uit genoemd percentage mag niet
worden geconcludeerd dat 12,6% van de
patiënten van die apotheken ook aan astma of
COPD lijdt. Ziektebeelden zijn namelijk niet
altijd eenduidig af te leiden uit het geneesmiddelengebruik.
Naarmate er een duidelijkere
relatie is tussen het geneesmiddel en de
aandoening is het aannemelijker dat beide
percentages met elkaar overeenkomen. Zo kan
bij iemand die insuline gebruikt probleemloos
het ziektebeeld diabetes worden vastgelegd.
Als geneesmiddelen niet gerelateerd zijn aan
specifieke aandoeningen ligt dat anders. Dit is
bijvoorbeeld het geval bij geneesmiddelen voor
hypertensie, hartfalen en angina pectoris. Er is
een grote overlap in de geneesmiddelen die bij
de genoemde ziektebeelden kunnen worden
ingezet.
Uit de tot dusver verzamelde gegevens blijkt
dat bij 63% van de patiënten geen ziektebeelden
zijn vastgelegd. Van de mensen bij wie een
ziektebeeld is vastgelegd, blijft het bij 39%
beperkt tot één ziektebeeld. Bij bijna 24% van
de mensen binnen die groep is er sprake van
twee ziektebeelden en bij 16% van drie.
De systematiek wordt niet alleen ingezet voor echte ziektebeelden, maar ook voor andere toepassingen, zoals zwangerschap en een kinderwens. Ook wordt de verkeersdeelname bij patiënten vastgelegd. Aanleiding voor opname van ‘verkeersdeelname’ als contraindicatie in het bewakingenbestand was de landelijke campagne van de ministeries van VWS en Verkeer en Waterstaat die na de zomer van 2008 van start ging met als doel het publiek bewust te maken van de risico’s van het rijden onder invloed van geneesmiddelen. Wanneer deze contra–indicatie aan de patiënt is gekoppeld, verschijnt bij het voorschrijven van middelen die het reactievermogen beïnvloeden, op het scherm een uitgebreid advies over verkeersdeelname bij gebruik van het middel. Vóór die tijd werden de gebruikers van dergelijke middelen alleen door een etikettekst ‘Kan het reactievermogen verminderen’ geattendeerd op de mogelijke invloed van de middelen op verkeersdeelname. De contraindicatie verkeersdeelname is globaal bedoeld voor alle personen van 16 jaar en ouder. In de cijfers in deze rubriek is verkeersdeelname niet meegeteld.
De SFK wil deze gegevens op apotheek– en
patiëntenniveau, al dan niet in combinatie
met zorgregistratiegegevens, toepassen in
programma’s op het gebied van medicatiebegeleiding
en zorgondersteuning.
Vastgelegde ziektebeelden kunnen hierbij op
meerdere manieren worden ingezet bij zorgondersteunende
programma’s. Ze kunnen als
inclusiecriterium worden gebruikt voor het
monitoren van geneesmiddelengebruik bij
mensen met die specifieke aandoening,
maar ook als aanvullende informatie bij
programma’s voor geneesmiddelengebruik
bij andere, gerelateerde aandoeningen.
tabel 1: Top 15 meest vastgelegde ziektebeelden, waarbij ‘verkeersdeelname’ buiten beschouwing is gelaten
| Rang | Ziektebeeld | Percentage patiënten met ziektebeeld |
|---|---|---|
| 1 | Astma en COL/COPD | 12,60% |
| 2 | Ulcus pepticum | 12,30% |
| 3 | Refluxziekte | 12,20% |
| 4 | Hypertensie | 10,30% |
| 5 | Depressie | 9,20% |
| 6 | Hartfalen | 8,70% |
| 7 | Diabetes mellitus | 4,60% |
| 8 | Angina pectoris | 4,10% |
| 9 | Schildklieraandoening | 2,50% |
| 10 | Benigne prostaathyperplasie | 2,40% |
| 11 | Epilepsie | 1,60% |
| 12 | Glaucoom | 1,50% |
| 13 | Jicht | 1,20% |
| 14 | Psoriasis | 1,00% |
| 15 | Parkinson | 0,70% |
Astma en COL/COPD is het meest vastgelegde ziektebeeld in de apotheek.
Bron: Stichting Farmaceutische Kengetallen
Dit is een publicatie van de Stichting Farmaceutische Kengetallen.
Overname van tekst, gegevens, tabellen of grafieken is toegestaan mits onder
volledige bronvermelding.